|
|
|
Muziek-historie door John Odekerken Het Limburgs Volkslied: Limburg is een van de weinige provincies met een eigen volkslied. Het is al een hoogbejaard lied dat in 1909 tot stand kwam. De midden-Limburgse onderwijzer Gerard Krekelberg zorgde voor de tekst in dichtvorm, zijn vriend Henri Thijssen, muziekmeester uit Roermond, zorgde voor de melodie. Het is opvallend dat dit volkslied in het Nederlands en niet in het Limburgs dialect werd geschreven. Wie de geschiedenis van Limburg kent weet, dat in die tijd Limburg niet als een volwaardige Nederlandse provincie beschouwd werd. Dat het lied in die tijd niet in Zuid-Limburg kon ontstaan kwam vooral omdat Zuid-Limburg toen zeer anti-Hollands gezind was en hardnekkig ervoor ijverde om bij België aangesloten te worden. Verschillende Zuid-Limburgers trokken later als vrijwilliger de Maas over om zij aan zij met de Belgische Limburgers de strijd aan te binden tegen Koning Willem I, die toen ook over België regeerde. De Zuid-Limburgers hadden, net als de Belgen, heel wat bezwaren tegen de Koning, vooral toen hij zich met kerkelijke zaken ging bemoeien. Limburg werd beschouwd als een minderwaardig aanhangsel van het Koninkrijk der Nederlanden. Vooral voor die tijd werden de verschillende Limburgse dialecten als minderwaardige volkstaaltjes beschouwd. In bestuurskringen sprak men Nederlands, in deftige kringen zelfs Frans. En toch bleven de Limburgers zoeken naar een eigen identiteit. Er ontstonden in deze eeuw meer dan tweehonderd plaatselijke volksliederen. Hiervan werden er toch ruim dertig in het Nederlands geschreven. Net zo min als nu bestond er in Limburg één dialect. Het Maastrichts, het dialect van Kerkrade en Vaals zijn voor Noord-Limburgers bijna onverstaanbare dialecten. Zelfs het uitspreken van die dialecten is voor hen onmogelijk. Waarschijnlijk heeft Krekelberg hieraan ook gedacht toen hij een volkslied voor heel de provincie wilde schrijven. Het Nederlands was voor alle verschillende dialectsprekers tussen Eijsden en Mook verstaanbaar en zingbaar. In midden en noord-Limburg hadden de mensen ook politiek gezien minder bezwaar tegen het Nederlands: zij hebben nooit intensief gezocht naar aansluiting bij België. Daar gingen ook veel Hollandse onderwijzers aan de slag, die graag moeite deden om mooie liederen te maken om hun nieuwe woonplaats te verheerlijken. De van Neeritter geboortige onderwijzer Gerard Krekelberg (1864-1937), die in Swalmen, Vlodrop en Posterholt les gaf, was ook lid van het Koninklijk Roermonds Mannenkoor. De dirigent van dit koor was Henri Thijssen (1862-1926) die gestudeerd had aan het Luiks Conservatorium, waar hij een gouden medaille voor piano behaalde. Toen hij thuis kwam werd hij verwelkomd met een concert met mannenzang. Kort daarna werd het Roermonds mannenkoor opgericht en ……… Thijssen werd de eerste dirigent. Hij componeerde er een Buggenums volkslied, een Roermonds volkslied en de muziek voor Krekelbergs "Limburg mijn vaderland", de oorspronkelijke titel van het latere "Waar in ’t bronsgroen eikenhout". Dit werd op 31 januari 1909 voor het eerst ten gehore gebracht bij de oprichting van de "Vereniging tot bevordering van de volkszang in Limburg". Het lied kreeg een geweldig applaus en werd al gauw populair. Het telde toen drie coupletten. Later is het vierde couplet door J.N. Snackers toegevoegd. Al die in het Nederlands geschreven volksliederen werden toen door de Limburgers hoog gewaardeerd. Het was een stimulans voor de ontdekking van de eigenwaarde van de plaatselijke bevolking. Het Limburgse volkslied raakte al gauw in heel Nederland bekend en onze provincie werd als gevolg van haar natuurschoon en gastvrijheid een populair vakantieland. Er zijn nu nog maar twee Nederlandse provincies met een eigen volklied: Friesland en Limburg! Na de oorlog werden verschillende keren pogingen gedaan om een Limburgs volkslied in het dialect erkend te krijgen, vooral omdat de tekst van Krekelberg bij ons erg gezwollen en overtrokken overkomt. Niet alleen de taal is veranderd maar ook "der vad’ren schoone taal" klinkt niet meer met zo’n "held’re kracht" en ook het nachtegaaltje dreigt te verdwijnen evenals "de hoorn des herders" langs "des beekjes boord" zal men erg moeilijk kunnen ontdekken. Maar toch, als Limburgers in verre landen of op hete stranden het "Waar in ’t bronsgroen eikenhout" horen zingen, dan beginnen toch bepaalde fijne snaren in hun binnenste te trillen, want dan voelt de Limburger zijn hart sneller kloppen. Dit lied heeft deze eeuw bij tal van feestelijke gebeurtenissen geklonken en menige Limburger ontroerd. Hopelijk zal het lied voor vele toekomstige Limburgers een teken blijven van het groeiende zelfbewustzijn. En voor deze mensen en hun kinderen volgt hier óns originele Volkslied: Limburg, mijn Vaderland Waar in ’t bronsgroen eikenhout, ’t nachtegaaltje zingt: Over ’t malsche korenveld, ’t lied des leeuwriks klinkt; Waar de hoorn des herders schalt, langs des beekjes boord: Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord! Waar de breede stroom des Maas, statig zeewaarts vloeit: Weeldrig sappig veldgewas, kostelijk groeit en bloeit; Bloemengaard en beemd en bosch, overheerlijk gloort: Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord! Waar der vad’ren schoone taal, klinkt met held’re kracht: Waar men kloek en fier van aard, vreemde praal veracht; Eigen zeden, eigen schoon, ’t hart des volks behoort: Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord! Waar aan ’t oud Oranjehuis, ’t volk blijft hou en trouw: Met ons roemrijk Nederland, één in vreugd en rouw; Trouw aan plicht en trouw aan God, heerscht van Zuid tot Noord: Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord! |
|
Laatst bijgewerkt: 02 May 2010. |